In de jaren '30 en '40 was er een groep schrijvers die in Oxford bij elkaar
kwam om daar een kunstvorm te beoefenen die ze zelf hadden uitgevonden en de
naam 'Mythpoetics' (Mythepoëzie) hadden gegeven, oftewel Mythefabricage.
De meesten van hen doceerden ook in Oxford, maar niet allemaal. Een van hen
was arts en een andere een gepensioneerd majoor.
Ze noemden zichzelf de Inklings (zij die vaagheden neerpennen).
J.R.R. Tolkien (1892-1973), nu het meest bekend, riep Midden-Aarde tot leven,
een wereld die voortkwam uit zijn liefde voor de taal. De onbekendere Charles
Williams (1886-1945) wekte aan een verhaal over koning Arthur, een mythe met
een mogelijk historische basis. C.S. Lewis (1898-1963), wiens kamers gebruikt
werden voor hun ontmoetingen, creëerde Narnia vanwege zijn verlangen om
het verhaal van Jezus op een nieuwe en overtuigende manier op te schrijven.
De schrijver van de Narnia Kronieken had een achtergrond die een toekomstige
carrière als verdediger van het christelijke geloof niet erg waarschijnlijk
maakte. Het overlijden van zijn moeder toen hij nog maar 9 jaar oud was verzwakte
zijn geloof in de kracht van het gebed en de goddelijke voorzienigheid. Na een
aantal verschrikkelijke jaren op verschillende kostscholen werd een overtuigde
atheïst verantwoordelijk gemaakt voor zijn verder opleiding die hem klaar
moesten stomen voor een klassieke studie te Oxford. Tegen de tijd dat Lewis
ingeschreven werd aan het University College van Oxford in 1917 was hij zelf
een atheïst.