Het lijkt er wel dat iedereen tegenwoordig de Da Vinci Code van Dan Brown
of aan het lezen is, of van plan is dat binnenkort te gaan doen, of al heeft
gedaan.
Ontdekken wat verborgen was heeft iets stimulerends. Een kijkje achter de schermen,
een diepere betekenis, een nieuw geluid over tot nu toe onbekende zaken—het
is allemaal heel spannend.
Waarom is deze literatuur zo aantrekkelijk? Waarom is het zo moeilijk om op
te houden te lezen in boeken zoals die van Dan Brown? Waarom vergeten we te
eten, ons te verzorgen en andere dagelijkse bezigheden als we in dit genre ‘speurwerk’
verdiept zijn?
Een van de redenen is dat complottheorieën dat meestal wel doen. Eindelijk
is er iemand (de schrijver of in dit geval de hoofdpersoon) die dezelfde vragen
stelt als wij. In romans is het mogelijk om antwoorden te vinden op complexe
vragen, of op zijn minst goede aanknopingspunten. Een goed schrijver schrijft
over zaken die ons allemaal van tijd tot tijd bezighouden. Is dit wel waar?
Wat zou er gebeuren als...? Met enkele eenvoudige waarheden als startpunt en
een flinke voedingsbodem voor twijfels kan een auteur op creatieve wijze een
ingewikkelde verhaallijn construeren. Het verhaal bevat net genoeg waarheid
om het naar meer te laten smaken. De suiker en de kruiden doen de rest. En er
is net voldoende zoetigheid op elke bladzijde om onze belangstelling vast te
houden. Dus blijven we verder lezen. En zo wordt een grote roman geboren, een
bestseller: de Da Vinci Code.
Maar hoe kunnen we erachter komen of de schrijver onze stevige kost voorschotelt
of slechts een glaasje suikerwater? Wat is ‘echt’ in zijn verhaal
en wat alleen maar ‘verzinsels’?
We weten allemaal dat een goede roman net genoeg waarheid bevat om het verhaal
geloofwaardig te maken – alsof het over dingen gaat die echt zo gebeurd
zijn. Als de auteur het te gek maakt dan spreken we van sciencefiction. Aan
de ander kant is het ook weer niet de hele waarheid en niets dan de waarheid.
Anders zou het een verslag genoemd worden. Als de verhaallijn door de lezer
als geloofwaardig gezien wordt, dan kan de schrijver al zijn fantasie loslaten
op de wereld van complotten en samenzweringen, met een aantrekkelijke mix van
feiten en verzinsels.
Was het niet zo dat toen ik het boek neerlegde ik werkelijk geloofde dat er
zo iemand als Sherlock Holmes bestond of dat de Kameleon echt
gevaren had. Zouden we niet net zo nieuwsgierig en ondernemend moeten zijn als
de hoofdpersonen waarover we net gelezen hebben?
Dat zou voor de schrijver het grootste compliment zijn dat hij kon krijgen.
Met andere woorden, iemand vertelt ons een verhaal. Hij doet dat zo goed dat
we er meer over willen weten. We gaan onderzoeken of de verteller ons wel de
waarheid heeft verteld. Het wordt een soort spel om uit te pluizen wat echt
was in zijn verhaal en wat alleen maar fantasie. We zoeken zelf wat op, kijken
wat verder dan onze neus lang is en proberen de code te breken zodat het verschil
tussen feit en fictie duidelijk wordt.
Soms is het meteen al duidelijk dat het verhaal grotendeels op fantasie berust.
Ik hoef niet op zoek te gaan naar de mijnen van Moria uit de Lord of the
Rings om te weten of ze bestaan. We weten (hopelijk) dat het niet het geval
is. Maar bij andere verhalen ligt dat een stuk moeilijker.
Terug naar Dan Brown. Zijn Da Vinci Code is een thriller van de bovenste
plank, een bestseller. Bij zo’n meesterwerk is de scheidslijn tussen feit
en fictie niet altijd even duidelijk. Is hij tot het uiterste gegaan in zijn
onderzoek? Presenteert hij álle feiten, of enkel diegene die het meest
bruikbaar waren voor zijn verhaal? Weten we zeker dat de bijbel betrouwbaar
is, dat zijn beschrijving van de schilderijen in het Louvre accuraat is, of
dat de perkamenten die het klooster van Sion aangeven werkelijk bestaan? Hoe
kunnen we die code kraken – die van Dan Brown?
De Da Vinci Code is ontegenzeggelijk een goed boek. Het heeft lovende kritieken
ontvangen. Maar het zou een goed idee zijn om zelf eens wat onderzoek te doen
naar de manier waarop de schrijver te werk is gegaan.